Saskia’s bijzondere wereld

Een paar jaar geleden leerde ik bij het R.O.C. Nederlands.
Al gauw kreeg ik zin om kinderverhalen te gaan schrijven in die voor mij nieuwe taal.
« Saskia’s bijzondere wereld » is een van mijn eerste pogingen.
13 Hoofdstukken – gecorrigeerd door een goede vriend.
Dank je wel Jo!
– Sylvie

{slide=1. De kakkerlak}

fenetreEr was eens een meisje, dat Saskia heette. Ze woonde in een klein, blauw huis. Geen ouders, maar alleen een aardige oma Liesbeth en een slimme kat, Lex.

Elke dag ging ze naar school met haar tasje en haar grote schoenen. En elke dag liep ze langs een groen, houten hek.

Er klopte iets niet met dit hek. Steeds als ze er langs liep, hoorde ze rare geluiden. Er krabde, er kroop, er kraakte iets achter dit hek. Wat zat er achter?

Saskia wilde het weten. Dat ging moeilijk want ze moest absoluut op tijd op school komen. Ze had namelijk een heel strenge juffrouw, die het leuk vond om straf te geven.

Op een goede dag hield ze het niet meer uit en besloot ze achter het hek te kijken. Ze glipte door een gat in het hek. Er lag een tuin achter. Een oude, wilde tuin. Met grote bomen, hoog gras en een oud, leegstaand huis.

Saskia bleef onbeweeglijk staan. Het was stil hier, heel stil, te stil… Het meisje werd een beetje bang. Want aan deze kant van het hek hoorde ze helemaal geen geluiden. Ze kon geen auto’s en bussen horen. Doodstil, geen wind, een erg rare sfeer.

Plotseling kwam er lawaai uit het huis. Ze schrok ervan. En toen zag ze iets door het raam naar buiten kruipen. Maar wat? Een enorm insect.

Nu werd Saskia echt bang.  Het insect leek op een kakkerlak, een enorme kakkerlak, een reusachtige kakkerlak! En hij rende in haar richting.

Saskia wachtte geen moment. Razendsnel sprong ze door het gat om het hek. En ze rende zonder stoppen naar school, keihard, hijgend.

In de pauze zei ze tegen alle kinderen dat er een reusachtige kakkerlak achter het groene hek woonde. Maar niemand geloofde haar…

De volgende morgen liep ze weer langs het groene hek. En weer hoorde ze het lawaai. Ze huiverde toen ze aan die enorme kakkerlak dacht. Snel liep ze voorbij het hek.

Een paar meter voorbij het hek hoorde ze opeens “Saskia! Saskia!” roepen.

Toen dacht ze:  “Vast weer die kakkerlak. En hij… kan praten… En hij kent mijn naam!”  Opgewonden liep ze naar school.

In de pauze zei ze tegen alle kinderen dat de kakkerlak kon praten. En natuurlijk geloofde niemand haar. Ze dachten: Saskia wordt gek!

Die avond stond oma in de keuken soep te maken. Saskia zat bij de schoorsteenmantel met Lex op haar schoot. Hij spon en spon.

Ze streelde hem, en vertelde over de kakkerlak achter het hek. Lex gaf haar wel vaker advies, dus ze vroeg hem wat ze moest doen.

– Wel, zei hij, deze kakkerlak is aardig. Hij heeft alleen honger.
– Weet je dat zeker? vroeg het meisje. Ik vind het zo gek: een reusachtige kakkerlak, die aardig zou zijn…
– Tja, Saskia, dat kan. Maar maak je geen zorgen. Je weet dat je mij kan vertrouwen.
– Oké, dat weet ik, zei ze. Waar houdt een kakkerlak eigenlijk van?
– Geef hem maar chocola!

De volgende ochtend liep Saskia naar school met haar tasje vol chocola. Ze glipte weer door het oude hek. Daar zat de kakkerlak zowaar al op haar te wachten. Saskia stapte moedig naar het beest toe, terwijl ze haar tasje stevig tegen haar borst hield.
– Goedemorgen, ik ben Saskia, zei ze met een klein stemmetje.
– Goedemorgen, Saskia! Ik heet Kaki. Ik ben heel blij je te zien!
Daarna begonnen zij te babbelen. De kakkerlak praatte met een heel leuke stem, tegelijkertijd diep en zacht. Bovendien had hij mooie ogen.
– Kan jij me helpen? vroeg het meisje.
– Vast wel. Wat wil je?
– Als ik jou chocola geef, kan je mij dan helpen met mijn huiswerk? Ik ben slecht in rekenen.
– Prima! Ik ben heel goed in rekenen!
Samen lachten zij. In de pauze zei Saskia dit keer niets tegen de andere kinderen. En al gauw bleek ze de beste van de school met rekenen…

{/slide}

{slide=2. Een vreemde vogel}

grebeOp een morgen na het ontbijt vroeg oma Liesbeth:

– Saskia, wil je mij helpen?
– Natuurlijk, oma!
– Wil je naar mijn vriendin toe gaan?
– Wat voor vriendin, oma?
– Truus.
– Oh ja! Die grappige vrouw die op een boot woont, ver weg!
– Ja. Neem dit mandje dan mee; er zit jam voor haar in en ook een zakje met kruiden. Die zijn heel belangrijk, Saskia! Ga maar op je fiets!
Oma gaf ook twee broodjes met kaas aan haar kleindochter:
– Dit is voor jou meisje, want het is een lange rit. Pas je goed op?
– Bedankt, oma!
Toen ze haar fiets pakte, kwam de kat naar haar toe.
– Pas op Saskia, de zon schijnt wel, maar misschien gaat het snel onweren.
– Oké, Lex!

Saskia ging moedig op pad. Ze fietste en fietste, door de weiden, langs de sloten. Tegen lunchtijd stopte ze bij een beek. Ze ging in het gras zitten en at haar boterhammetjes op. Er kwamen een heleboel vogels naar haar toe vliegen. Saskia deelde ze haar brood met de duiven en mussen. Plotseling dook er een fuut op uit het water, vlak bij haar.
– Pas op, Saskia! zei hij, je moet voorzichtig zijn.
– Oké, fuut!

Saskia ging moedig verder. Ze fietste en fietste. ’Halverwege de middag kwam ze bij de boot aan. Ze zette haar fiets tegen een grote boom. Met haar mandje liep ze naar de boot toe. Een oude, houten boot. Voor de deur zag ze een oude armstoel naast een ijzeren tafel. Op de tafel stonden veel planten in potten. Aan de andere kant zag ze een houten totem met een brievenbus zien. Op de brievenbus zat een papegaai.
– Goedemiddag, Saskia! zei hij.
– Goedemiddag papegaai! Ik breng jam en kruiden voor Truus.
– Kom binnen!

Binnen was het donker. Saskia sperde haar ogen wijd open, maar ze kon niets zien. Ze keek naar rechts, naar links, recht voor zich uit, maar niets, ze kon echt niets zien. Ze wachtte even zodat haar ogen aan het donker konden wennen.
– Waar ben je? vroeg ze.
Opeens hoorde ze een rare stem van boven. Saskia tilde haar hoofd op en schrok. Ze had Truus  al vaker gezien, maar dit was echt niet Truus die in de kamer zat. Geen Truus, maar een vreemde vogel zat op de balk van het plafond. Een grote vogel met een bril op zijn snavel en een mutsje op zijn kop.

Saskia werd bang. Ze dacht dat deze vreemde vogel de arme, oude vrouw had opgegeten! Ze rende naar buiten. Toen ze weer naast de brievenbus stond, zei de papegaai:
– Rustig maar, Saskia! Je hoeft niet bang te zijn.
– Maar dit vreselijk beest heeft Truus opgegeten! Wat te doen?
– Nee, nee, nee! Hij eet geen vlees. Deze vreemde vogel IS Truus.
– Wat?!
Saskia ging naast de papegaai zitten.
– Truus wilde een nieuw recept uitproberen.
De papegaai zuchtte.
– Ik ben zo moe van deze kuren. Meestal probeert ze de recepten op mij uit. Soms vind ik het leuk, maar soms echt verschrikkelijk!
– Ik wist niet dat Truus kon toveren.
– Dat kan ze… niet, maar ze… zou het wel graag willen kunnen.
De papegaai zuchtte een tweede keer.
– En nu wilde ze wéér een recept op mij uitproberen. Ik verborg me, dus nam ze zichzelf maar als proefpersoon. En dit is het resultaat!
De papegaai zuchtte een derde keer.
– Ik ben het echt zat!
– Daarom heeft oma me deze kruiden gegeven! riep uit Saskia. Misschien kan ik nu een geneesmiddel maken.
– Precies! Ga maar naar binnen! Truus kan nog wel praten. Je kan haar aanbevelingen opvolgen.

Saskia ging naar binnen en deed het licht aan in de donkere kamer. Ze wreef in haar handjes:
– Goed, Truus! Zeg mij maar wat ik moet doen?
Met een raar stemmetje begon de vogel haar te vertellen hoe ze een tovermengsel moest brouwen. Saskia vond het leuk om te doen. Het duurde lang. Want ze moest naar buiten gaan om speciale dingen te zoeken, zoals een glas water uit de sloot, en ook een snorhaar van een muis. Maar waar kun je een snorhaar vinden? Gelukkig bleek de papegaai heel slim. Hij pakte een doosje vol met schatten onder een steen vandaan… Daarin lag een snorhaar van een muis. Aan het eind van de dag had Saskia het mengsel klaar. Ze gaf de vogel een glaasje vol van deze vreemde soep.

Buiten kleurde de lucht oranje. De zon ging naar beneden om te slapen. Saskia voelde zich doodmoe.
« En ik moet nog naar huis! Vijf uur fietsen, wat een reis! » dacht ze.
Intussen begon Truus te veranderen. Rare geluiden borrelden uit haar op. De papegaai krijste:
– Ga naar buiten Saskia! Schiet op!
Het meisje rende naar buiten. Ze hoorde een heleboel lawaai van gebroken servies en omgestoten meubels. Er gebeurden rare dingen daar binnen, een en al gerommel. Maar na een tijd werd het eindelijk stil. Saskia durfde niet te bewegen.

Plotseling zag ze Truus bij de deur. Vermoeid en uitgeput.
– Alles goed? vroeg de papegaai.
Truus keek boos naar hem, en antwoordde hem niet.
– Het spijt mij, Saskia, zei ze.
Maar het meisje keek aan haar, vol verbazing. Het was echt Truus, maar… iets klopte er niet. De oude vrouw had geen schoenen aan. En die kon ze ook niet aan want ze had geen voeten meer. Ze had poten! Vogelpoten!
Truus keek ook naar haar  “voeten”.
– Goh! Ja! Het is nog niet helemaal klaar. De rest doe ik later wel.
En ze schoot in de lach. Saskia lachte ook. Ze vond deze oude vrouw nu echt grappig.
– Ik moet weg, zei ze.
– Nee, dat kan niet! Het is veel te laat. Het is al nacht. Blijf maar bij mij slapen. Kom eens kijken, ik heb een mooie slaapkamer voor je!

Ze gingen naar boven en het bleek echt waar: een klein, mooi roos kamertje met een bed. Niet zomaar een bed… het leek wel een prinsessenbed met gordijnen. Saskia voelde zich heel blij.
– Bedankt, Truus, ik ga meteen slapen, ik ben zo moe.
– Wil je nog iets eten? vroeg Truus.
Het meisje keek naar de papegaai, die zijn hoofd wegdraaide.
– Beter niet, fluisterde hij, je kan nooit weten!
Saskia glimlachte en zei:
– Nee, Truus, ik wil alleen maar slapen.
– Wel te rusten Saskia.

Saskia sliep aan één stuk door. En de volgende ochtend reed ze heel vroeg weer naar huis.

{/slide}

{slide=3. Kleine smulpaap}

teapot’s Zondags bakte oma altijd een speciaal brood. Alle mensen van het dorp waren er gek op.

Oma werkte de hele dag om het verrukkelijke brood te maken. Als het in de oven stond, kon je het door het hele huis ruiken.

Het brood was zo groot dat je er zeven dagen van kon eten. Ze zette het in het keukenkastje. Elke ochtend sneed Saskia er twee grote boterhammen af voor haar ontbijt.

Maar deze keer ging er iets fout. Toen Saskia het kastje opende, zag ze gaatjes in het brood. Ze liet het de kat zien. Lex schudde zijn kop:
– Er zit een muis in dit huis!
Hij sprong de kast uit en zei:
– Ik zal haar vangen! Ik heb net zin in een vers muisje!
– Nee, nee, nee! Alsjeblieft, Lex! Muizen zijn zo lief! Ik wil absoluut niet dat je haar probeert te vangen.
– Je kan mij niets verbieden. Ik ben een vrije kat en ik vind muizen lekker…
En de kat tippelde waardig naar buiten.

Opeens hoorde Saskia een raar, schel stemmetje uit de kast.
– Saskia! Is hij weg?
Het meisje keek in de kast en zag een kleine muis met een aardig gezichtje, lange snorharen en een mutsje op haar kop. Van verbazing kon Saskia niets uitbrengen. Met openstaande mond keek ze verrukt naar het beestje.
– Ik ben bang voor de kat, zei de muis.
– Wat een mooie muts heb je op! riep Saskia uit.
– Dankjewel. Ik zie er graag mooi uit, en ik ben ook een smulpaap.
– O ja! Dat weet ik wel. Maar je mag niet van dit brood eten, want Oma haat muizen. Als ze je vindt, maakt ze je dood.
Het muisje ging op een kopje zitten en sloeg haar armpjes over elkaar.
– Goh! Wat een pech! Oma, en de kat! Ik heb honger, en dit brood is zo ongelofelijk lekker!
– Ja, maar je moet echt je eigen eten zoeken.
– Waarom? De kat hoeft toch ook geen voedsel te zoeken, en die is groot en sterk! Hij zou het makkelijk kunnen. Maar ik ben zo klein. Wat onrechtvaardig!
– Ja, maar als ik de kat niets geef, dan gaat hij jagen, op muizen bijvoorbeeld…
– Echt waar. Wat moet ik doen?
– Ik heb een idee. Als je de hele week zelf je eten zoekt, geef ik je elke zondag, een grote boterham. Afgesproken?
De muis antwoordde niet. Ze moest nadenken.
– Geen slecht idee, zei ze na een momentje.
– Maar je mag niet hier blijven, want dan vangt de kat je. Weet je wat? Ik heb een mooie plek voor je. Ga eerst even zitten!

Saskia opende haar hand.
Het beestje sprong erop en ging zitten. Het voelde zo zacht aan, dat Saskia even haar adem inhield.
– Ik weet een leuke, wilde tuin, en mijn vriend woont er.
– Wat voor vriend? vroeg de muis wantrouwig.
– Een kakkerlak, een aardige, nogal groot uitgevallen kakkerlak. Hij houdt van chocola. Hij voelt zich altijd eenzaam. Dus is hij vast erg blij met een nieuw vriendinnetje. Hij heet Kaki. Hoe heet jíj eigenlijk?
– Ik ben Leontien!
En Leontien maakte een diepe buiging.
– Oké! Laten we gaan.

Saskia stopte het muisje, een boterham en wat chocola in haar tas, en ging naar buiten. Ze liep over het pad langs de rivier, ging de brug over en liep het dorp in. Het was er heel stil omdat iedereen  in de kerk zat. Ze glipte door het houten hek naar binnen. Ze zag Kaki gymnastiekoefeningen doen. Kakkerlaken hebben vaak last van reuma, daarom moeten ze elke dag een paar bewegingen doen.

Toen de kakkerlak en de muis elkaar ontmoetten, klikte het meteen. Kaki was echt een hartelijke kakkerlak. Hij opende zijn zes poten en omarmde Leontien, die toch een beetje onder de indruk was. Even later zat de muis op haar billetjes en keek rond.
– Tja, gezellig! zei ze. Kan ik hier ergens een nest maken?
Ze liep rond in het wilde gras en riep plotseling uit:
– Wat fantastisch! Ik heb mijn slaapkamer gevonden!
Saskia en Kaki gingen naar haar toe. Het beestje had een oude theepot ontdekt.
– Kijk! zei ze, dit is perfect voor mij.

Ze trippelde de opening in en uit. Het gebroken deksel lag in het gras. Ze raapte de stukjes op en  zei:
– De spullen opruimen! Ik wil een mooie slaapkamer.
Saskia glimlachte:
– Wil je hulp?
– Misschien kun je de theepot onder deze meidoornstruik zetten, dan voel ik mij veilig.
Het meisje plaatste de theepot in een holletje onder de struik vol mooie, witte bloempjes. Ze roken heerlijk.
– Perfect, de meidoorn helpt me om lekker te slapen,  zei Leontien, tevreden. Heel erg bedankt voor de boterham, deze geweldige plek, …en mijn nieuwe vriend! riep ze uit, terwijl ze Kaki een kusje gaf op zijn grote neus.
De bescheiden Kaki kleurde helemaal rood onder zijn bruine, glanzende schild.
– Oké vrienden, zei Saskia, ik moet weg, Tot ziens!
– Tot ziens, Saskia en nogmaals bedankt! antwoordden Kaki en Leontien in koor.

{/slide}

{slide=4. De melkman}

aneIn het dorp van Saskia woonde een aardige man die Albert heette. Albert was heel verlegen. Zo verlegen dat hij niet kon werken. Want hij was bang om mensen te ontmoeten. Bovendien kon hij niet goed rekenen. Dus maakte het heel moeilijk voor hem om een baan te vinden.

Zijn buurman was boer. Boer Bertels. Die boer werkte altijd hard, en hij vond het maar  niks dat Albert niets uitvoerde. Dus op een dag stelde de boer aan Albert voor om melk rond te gaan brengen. Het leek Albert wel goede baan , omdat hij zo vroeg kon werken, dat hij niemand ontmoette. Het rekenen ging heel makkelijk: één of twee flessen per huis. Dus elke ochtend reed Albert rond op zijn glanzend gepoetste bakfiets, vol met flessen. Naast de brievenbus van elk huis zette hij een melkfles neer.

En elke ochtend lag Saskia lekker opgerold in haar warme bedje en kon ze het zachte gerinkel van de flessen horen.
« Het is tijd om op te staan », wist ze.
De kat sprong dan uit bed. Ongeduldig, want hij wilde de melk proeven.
Maar deze morgen hoorde Saskia het vertrouwde geluid van de flessen niet .
– Hij is laat, dacht ze.

Er ging bijna een uur voorbij, maar: geen melkman. Dus tijdens het ontbijt vroeg Saskia aan haar oma:
– Mag ik naar de melkman toe? Misschien is hij wel ziek. Want we krijgen geen melk vandaag!
– Nee, nee! Je moet naar school.
De volgende ochtend was Saskia vroeg wakker, want ze wilde weten of de melkman nu wél zou komen. Ze wachtte en wachtte, maar… weer geen melkman, dus geen melk. Ze besloot op te staan en de melkman op te zoeken.

Heel stil sloop ze naar buiten en pakte haar fiets. Ze genoot van de mooie lenteochtend. Overal in de bomen zongen merels. Ze fietste naar het huis van de melkman, dat aan de rand van het dorp stond, naast de grote boerderij. Saskia kwam na 10 minuten fietsen bij het huis aan. In de voortuin zag ze tot haar verbazing een heleboel melkflessen liggen, misschien wel honderden. De bakfiets stond tegen een boom. Bij de muur zag ze een houten bank. Op die bank zat Albert. Met zijn hoofd in zijn handen.

– Hoi, Albert! Wat is er aan de hand?
Hij staarde verveeld voor zich uit.
– Hoi, Saskia! Ik weet niet wat ik moet doen, zuchtte hij.
– Huh? Makkelijk toch? Zet de flessen in je bakfiets en ga op pad! Alle mensen wachten op je melk.
– Ik kan het niet doen!
– Waarom niet?
– Kijk maar in mijn bakfiets!
Saskia liep naar de bakfiets. In een hoekje van de bak ontdekte ze een vogelnest. Op het nest zat een vogel.

Niet zomaar een vogel, een mus of zo, nee, een vreemde vogel. Een fantastische, rare vogel. Die  haar met goudkleurige ogen aankeek. Hij had blauwe veren. Ongelooflijk blauw. Als je naar dit blauw keek, dacht je vanzelf aan de zee. Maar niet alleen daaraan. Het blauw deed je ook denken aan blauwe viooltjes, na de regen; en aan aquamarijnstenen. Je dacht ook aan het blauw van de libel, zo licht; vanzelf dacht je ook aan de zomer, je dacht aan het geluk. Meteen voelde je je vrolijker. Saskia glimlachte en kon haar ogen maar niet van de vogel afhouden.

Albert kwam bij haar staan, en zei:
– Hij heeft een mooi ei!
– Echt waar?
Saskia voelde zich helemaal betoverd.
– Ik heb nog nooit zo’n vogel gezien, fluisterde het meisje. Als ik naar hem kijk, voel ik mij beter.
– Voor mij is dat precies hetzelfde, antwoordde Albert. En ik wil hem niet storen.
Albert fluisterde:
– Volgens mij is het een tovervogel!
– Je hebt gelijk, zei Saskia. Maar Albert, toch moet je de melk rondbrengen.
Saskia ging dichter bij de vogel staan en begon met hem te praten:
– Hoi, vogel! Je ziet er fantastisch uit!
– Hoi, Saskia! Hoe gaat het?

Zij gingen door met praten. Albert stond er totaal verbaasd bij.
« Zij kunnen met elkaar praten, zij kunnen met elkaar praten! » herhaalde hij, in zichzelf mompelend.
– Beste vogel, zei Saskia, je kan hier niet blijven. Albert heeft zijn bakfiets nodig.
– Het spijt me, maar ik kan absoluut niet weg. Ik moet hier blijven om mijn baby uit te broeden.
De vogel keek diep in Saskia’s ogen. En het meisje begreep dat het heel belangrijk was.
– Oké, vogel, dan zoeken we een ander voertuig voor Albert.

Ze draaide zich om naar Albert, die haar vol respect en verbazing aankeek, en stamelde:
– Dieren praten met jou!
– Ja, Albert, maar dat is een geheim. Dat mag je tegen niemand zeggen, anders help ik je niet.
Saskia keek hem heel ernstig aan. Albert beloofde zijn mond te houden. Daar zou hij trouwens niet zoveel moeite mee hebben, want hij praatte toch niet veel met mensen. Zij vonden hem een beetje sullig.

– Misschien kunnen wij de oude kar van mevrouw Appeltje lenen? zei Saskia.
– De kar met de oude ezel?
– Ja, met Bob, de oude ezel!
– Geen slecht idee… Mevrouw Appeltje is aardig, en ze gebruikt haar kar niet vaak.
– En Bob zal blij zijn dat hij eens in het dorp kan wandelen. Hij staat bijna altijd in zijn wei!
– Praat je soms ook al met Bob? vroeg Albert verbaasd.
Saskia trok haar schouders op en zei glimlachend:
– Alle dieren praten met me!
Samen gingen zij naar mevrouw Appeltje. Ze stond koeken te bakken.  Zij konden de geur van gesmolten chocolade ruiken. Mevrouw Appeltje was een klein, mollig, oud vrouwtje. Ze had witte haren in een knotje.
– Ha, jongens! riep ze toen ze Saskia en Albert zag aankomen. Ga zitten! Ik heb net een lekkere taart gebakken!
– Hoi, mevrouw Appeltje! antwoordden Albert en Saskia.
Meteen zette het grappige vrouwtje twee bordjes met taart en slagroom voor hen op tafel, met twee grote koppen warme chocolade erbij.
– Tja, Albert! Ik heb melk nodig! Wat is er met jou aan de hand? Geen melk sinds gisteren!
– Ja, mevrouw Appeltje, ik weet het. Het komt doordat mijn bakfiets kapot is. Daarom wil ik u vragen of ik uw kar mag lenen met Bob!
– Bob? Wie is Bob? vroeg de oude vrouw, nieuwsgierig.
– Hm! Ik bedoel uw ezel.
– Mijn ezel heet Bob?
Mevrouw Appeltje schaterlachte:
– Goh, Albert! Je bent erg grappig!
Albert keek verward naar Saskia. Het meisje zei niets, maar leek een beetje geïrriteerd.

– Ja, Albert! Gebruik mijn kar en mijn ezel maar. Het is goed voor hem om een beetje te bewegen.
– Dank u wel, mevrouw Appeltje! U krijgt twee keer zo veel melk en ook wat extra verse room.
– Prima! Dan kan ik meer koeken maken.

{/slide}

{slide=5. Een vreemde ontmoeting}

Terwijl Albert de kar klaar maakte, liep Saskia naar de wei waar de ezel graasde. Het meisje vertelde hem over de tovervogel, het eitje en de melkflessen die in de tuin wachtten. Bob schudde zijn hoofd: hij was blij om met Saskia te wandelen.
– Het spijt me Bob, ik kan niet met je wandelen. Ik moet naar school. Je moet een paar weken met Albert gaan werken. Ik weet niet wanneer het eitje uitkomt. Weet je wat? ‘s Middags na school ga ik het aan de vogel vragen. Ik heb zin om hem weer te zien. Hij is zo fantastisch!

Toen Albert en de ezel klaar waren, sprong Saskia in de kar.
– Wil je me alsjeblieft naar school brengen, Albert?
– Oké, meisje!
Tijdens de reis probeerde Albert met Bob te praten. Maar er was niets aan te doen: de ezel bleef koppig zwijgen, alsof hij zijn tong had ingeslikt.
Voor het schoolplein zei Saskia tegen Albert:
– Vergeet niet mijn oma gerust te stellen! Anders wordt ze boos op mij.
– Maak je maar geen zorgen!

Het was nog erg vroeg, Saskia was alleen op het schoolplein. Alleen? Toch niet: er stond een klein meisje naast de deur. Saskia had haar nog nooit gezien. Ze zag er een beetje vreemd uit. Ze stond te babbelen, met haar rug naar Saskia toe.
« Met wie spreekt ze toch? » vroeg  Saskia zich af. Ze stond stil op de stoep, en probeerde haar nog een keer aandachtig te bekijken. Niet alleen leek dit meisje tegen niemand te praten, maar ook droeg ze vreemde kleren en een muts. Was het echt een muts? Het leek wel een muts van een kabouter: raar, lang, rood, met twee belletjes aan de punt. Ze droeg ook een lange jurk met rode en oranje strippen. Saskia glimlachte: ze hield van rare mensen.
– Hoi! zei ze tegen het meisje.
Het meisje sprong op en draaide zich om naar Saskia.
– Hoi! antwoordde ze, een beetje verbaasd.
– Met wie stond je te praten? vroeg Saskia.
– Met Pecorino Moscardini.
Saskia vroeg verrast:
– Wie is Pecorino? Ik zie niemand!
Het meisje glimlachte en trok een slim gezicht:
– Pecorino is zo klein dat je hem niet kan zien!
– Niets zeggen! Laat me raden!…hm… een mier?
– Nee!
– Een vlinder?
– Nee! Groter!
– Een hamster!
– Bijna!
– Een muis!
– Ja! Goed geraden!
– Laat eens zien! Ik hou van muizen!
Het meisje pakte een mooie, knappe, grijze muis uit haar mouw.
– Wat lief! riep Saskia uit. Ik ken ook een muis, die Leontien heet.
– Hé! Mooie naam!
En de meisjes gingen door met praten. Na een kwartier verschenen er andere kinderen.
– Het lijkt me beter dat je de muis in je mouw verbergt, zei Saskia, want de juffrouw is heel streng. Die is vast niet blij als ze dit beestje ziet. Enne… ik ken jouw naam niet! Ik ben Saskia!
– Ik heet April.
– April? Wat een leuke en bijzondere naam!
– Het is mijn eerste dag op deze school. Ik hoop dat ik in jouw groep zit.
– Vast! In ons dorp is de school heel klein. We hebben maar twee groepen. Hoe oud ben jij?
– 10 jaar.
– Ik ook!
– Prima!

Saskia en April voelden zich direct twee echte vriendinnen.
– Ga naast me zitten! Ik zit alleen aan mijn tafel, fluisterde Saskia tegen haar nieuwe vriendinnetje.
– Afgesproken! Pecorino! Rustig, alsjeblieft! zei April.
– Oké, mompelde het muisje.
Saskia glimlachte: eindelijk had ze een echte vriendin gevonden, die ook met dieren kon praten.

{/slide}

{slide=6. Een moeilijke middag}

twee meisjesJuffrouw Tucht was geen makkelijke vrouw. Alle kinderen waren bang voor haar, want ze was heel streng en soms onrechtvaardig. Ze hield van tellen: kinderen tellen, fouten tellen, geld tellen. Als zij het schoolprogramma had mogen maken, zouden er maar twee vakken zijn: rekenen en marcheren. Niet erg leuk voor Saskia, die hield van tekenen en verhalen bedenken… Gelukkig kon Kaki, de kakkerlak, haar helpen met rekenen.

Deze juffrouw Tucht hield niet van bijzondere mensen of dingen. Toen ze April ontdekte, vertrok haar gezicht. Ze haalde het meisje meteen naar het schoolbord, en gaf haar moeilijke teloefeningen. Toen April de oefeningen begon te maken, riep Juffrouw Tucht uit:
– Je mag je… muts niet ophouden! Zet hem af en schiet een beetje op!
– Het spijt me, Juffrouw Tucht, ik kan het niet.
En April keek, wanhopig naar Saskia.
– Ik kan het niet, want Pecorino…
Saskia begreep het: het muisje had zich waarschijnlijk in de muts verborgen. Ze moest de juffrouw afleiden. Plotseling deed ze alsof ze zich wild schrok. Iedereen sprong op en keek naar haar. April profiteerde van de situatie: heel snel pakte ze de muis uit de muts en stopte hem weer in haar mouw.
– Nou, Saskia, wat is er aan de hand? vroeg Juffrouw Tucht.
– Er liep een vreselijke spin op het plafond!
De juffrouw keek naar boven en:
– Waar? Ik zie niets!
Ze keek weer naar Saskia, met een nijdig gezicht.
– Denk je soms dat ik dom ben!!! riep ze uit. Je krijgt extra oefeningen, zoveel dat je je vanavond niet hoeft te vervelen!!
Saskia zei niets. Ze keek naar de grond en glimlachte stiekem.

Terwijl juffrouw Tucht met Saskia bezig was, deed April de moeilijke oefeningen. Het was niet lastig voor haar, omdat ook Pecorino een kampioen in rekenen was. Verborgen in haar mouw, gaf hij het meisje alle juiste antwoorden. Juffrouw Tucht was verbluft.

Aan het eind van de middag waren alle kinderen verbaasd over April. Ze keken naar haar met respect en interesse. Wat Saskia betreft, hadden ze sinds haar verhaal over de kakkerlak wel door dat dit meisje een beetje gek was.

Samen liepen Saskia en April over het pad  terug naar huis. Pecorino zat op de schouder van April zich op te frissen. Ze babbelden en babbelden.
– Weet je wat, April? Ik zal je iemand laten zien! Het is een verrassing! zei Saskia.
Ze liepen naar het oude, groene hek, naar het huis van Kaki, de kakkerlak.
– Je hoeft niet bang te zijn, zei Saskia. Je ontmoet nu een reusachtige kakkerlak. Hij is heel aardig en hij is mijn vriend. En bovendien kan hij heel goed rekenen, net als Pecorino!
– Hoe heet ie?
– Kaki.
Pecorino keek heel benieuwd.
– Goh! zei het beestje, eindelijk kan ik met iemand over de stelling van Pythagoras praten!

De meisjes glipten door het houten hek naar binnen. Het was heel rustig in de tuin. Saskia wees naar een donkere gedaante in het gras; Kaki lag te slapen. April verbaasde zich over het formaat van het beest. Hij was wel twee meter groot. Pecorino verdween in haar mouw:
– Een beetje té groot voor mij, mompelde hij.
– Je hoef niet bang te zijn! zei Saskia, hij is echt aardig.
Ze liep met April naar de slapende kakkerlak. Stilletjes keken ze naar het reusachtige beest. Zijn bruine schild blonk in de zon.
– Hij is echt groot! fluisterde April, kom eens kijken, Pecorino!
– Nee, nee! Te groot voor mij!
– Ik wist niet dat Pecorino een bangerik was! zei Saskia glimlachend.
– Ja, zuchtte April, goed in rekenen, maar een bangerik.
– Ik ken een muisje dat niet bang is voor Kaki! Bovendien, woont ze bij hem!
– Echt waar? riep April uit.
– Ja! Zij heet Leontien en ze is hartstikke mooi!
Pecorino stak zijn snoetje naar buiten. De meisjes konden zijn snorharen zien  trillen. Op hetzelfde moment werd de kakkerlak wakker. Helemaal niet verbaasd of bang. Juist heel blij om Saskia weer te zien. Beleefd stelde het meisje haar nieuwe vriendinnetje voor. Maar geen Pecorino; hij had zich weer in de mouw verborgen. De drie vrienden babbelden en babbelden. De tijd vloog en Saskia was de tovervogel helemaal vergeten.

{/slide}

{slide=7. Een vreselijke man}

Op hetzelfde moment gebeurde er iets in de tuin van Albert. De boer stond te praten met de melkman.
– Ik ben niet tevreden, zei hij. Je bent veel te langzaam. Dat komt door deze kar en deze domme ezel!
Hij keek heel boos.
– Waarom gebruik je je bakfiets niet?
Albert was heel verward. Hij haalde zijn schouders op en zei niets. De boer liep zonder na te denken naar de bakfiets. Plotseling stopte hij, verbaasd over de tovervogel.
– Wat is dat? riep hij. Nu begrijp ik waarom je je fiets niet gebruikt! Het komt door die vogel!
Nu werd de boer nog bozer. Hij hield niet van vogels. Volgens hem waren vogels bedoeld om te vliegen, of om eieren te leggen. Hij hield wel honderd kippen op zijn boerderij, en koeien voor de melk, en arme konijnen, die ‘s zondags in de pan belandden. Maar een blauwe vogel, wat moest hij daarmee? Maar toen hij de vogel aandacht bekeek, kwam hij op een idee…

« Dit beest is heel interessant. Zijn veren zijn zo blauw, en die ogen… lijken wel van goud. Die levert geld op! »
Hij pakte de vogel en stopte hem onder zijn jas.
– Nu kun je je fiets weer gebruiken! blafte de boer.
De arme Albert had geen tijd om te antwoorden, de boer was al verdwenen.
Er heerste een doodse stilte. Albert keek naar het ei in het nest. Hij pakte zijn wollen muts en stopte het eitje erin.
« Je koelt af », fluisterde hij zacht tegen het ei. « Ik moet een oplossing vinden. Ik weet zeker dat Saskia een goed idee heeft. »
Snel pakte hij zijn bakfiets en trapte naar Saskia’s huis. Na een paar minuten kon hij haar zien op de kruising, samen met April.

De meisjes stonden te babbelen.
– Waar woon je? vroeg April.
– Ik woon met mijn oma en mijn kat in het blauwe huisje. En jij?
– Ik woon met mijn vader in het oude, vervallen huis dichtbij de rivier.
– Het groene huis!
– Ja, mijn vader repareert het, beetje bij beetje.
– Hm, daar komt Albert!
– Wie is Albert? vroeg April.
Maar Saskia had geen tijd om te antwoorden, want Albert stond al voor hun neus, buiten adem en helemaal radeloos.
– Wat is er aan de hand, Albert? vroeg Saskia bezorgd.
De arme man vertelde over de boze boer die hem de arme vogel had afgepakt. De twee meisjes stonden versteld.
– Wat een vreselijke man! riep Saskia uit. En hoe zit het met het ei?
– Ik heb het in mijn muts gestopt, zei Albert, maar ik denk dat we nog meer moeten doen…
– Je hebt gelijk, antwoordde Saskia, wij moeten iemand vinden, die het eitje kan uitbroeden.
– Ik weet wel iemand! verklaarde April met een slimme glimlach.

Ze pakte de muis uit haar mouw en stelde het beestje voor:
– Pecorino. Hij heeft warm bloed en hij zal blij zijn dat hij het eitje kan uitbroeden.
– Helemaal niet! riep het muisje uit, en verdween weer in de mouw.
– Bangerik! Egoïst! Die muis is echt niet makkelijk! zei Saskia.
– Pecorino doet weer eens nukkig, maar ik ben de baas en ik besluit, antwoordde April, glimlachend.
– Oké, zei Saskia, ik denk dat wij naar Kaki moeten, zodat Pecorino en Leontien het eitje kunnen uitbroeden. En wij zijn er zeker van dat het veilig is waar hij zit.
– Als ik Leontien ontmoet, dan wil ik graag het eitje uitbroeden, zei Pecorino met een zacht stemmetje, terwijl hij voorzichtig uit de mouw gluurde.
De meisjes konden zijn snorharen zien trillen. Ze glimlachten.

– Morgen is het woensdag en hebben we geen school, dan kunnen wij de vogel redden, zei Saskia.
– Terwijl Albert de melk rondbrengt, en de boer in het weiland werkt, kunnen wij zijn huis binnensluipen, zei April.
– Oké vrienden! zei Saskia, wij hebben veel werk te doen. Eerst gaan wij naar Kaki.
De meisjes fietsten weer met het eitje naar het groene hek, terwijl Albert naar huis terug ging.

{/slide}

{slide=8. Red de vogel}

chienDie woensdag was een mooie dag, met een zonnige en rustige ochtend. Na het ontbijt ging Saskia naar het groene huis van April. Samen fietsten ze naar de boerderij. Het was er heel stil. De koeien stonden in de wei, en Albert bracht de melkflessen rond. Toen Saskia en April het erf van de boerderij opgingen, begon de hond onmiddellijk te blaffen.
– Rustig alsjeblieft, Bluffo! zei Saskia.
– Ja, Saskia, ik ken je, maar je weet toch wel dat het mijn taak is om te blaffen als er iemand komt.
– Ja, ja, ik weet het. Laat je ons binnen? We moeten de vogel redden.
Bluffo dacht een moment na, en zei:
– Oké Saskia, ga dan maar naar binnen, de vogel zit in de keuken. Maar je moet weten: als jullie weer weg gaan, dan moet ik heel hard blaffen, anders denkt mijn baas dat ik mijn werk niet goed doe.
Hij zuchtte:
– Ik wil absoluut geen problemen met mijn baas krijgen, want hij is echt onmogelijke man.
– Ik begrijp het Bluffo, zei Saskia, we zullen heel snel weggaan, zodat die afschuwelijke man ons niet kan zien.
– Oké, ga maar naar binnen en doe het vlug!

De meisjes gingen zo snel mogelijk het huis in en liepen meteen door naar de keuken. Ze zagen de arme vogel in een kippenhok, met een enorm hangslot aan de deur. Toen hij de meisjes opmerkte, begonnen zijn gouden ogen meteen te blinken. Saskia pakte de kooi, April deed de keukendeur open en ze gingen naar buiten. Snel zette Saskia de kooi achterop de fiets en April legde er een deken overheen, zodat niemand hem kon zien. De hond begon te blaffen. Ze fietsten en fietsten ver weg, heel snel tot aan het vervallen groene huis vlakbij de rivier. Daar zat April’s vader buiten op de bank een speeltje te maken.

– Wat is er aan de hand? vroeg hij, toen hij de meisjes zag, buiten adem, hun haren helemaal in de war.
Terwijl April de situatie aan haar vader uitlegde, maakte Saskia de kooi van haar fiets los. Toen ze de deken weg trok, sperde April’s vader zijn ogen wijd open. Vol bewondering zei hij:
– Wat een wonderbaarlijke vogel! Zo een heb ik er nog nooit gezien.
Toen hij het grote hangslot zag, zei hij meteen:
– Ik maak het open.
– Is dat niet moeilijk? vroeg Saskia.
– Ha, niet voor mij, ik heb een heleboel gereedschappen.
Toen de deur open was, sloeg de vogel zijn vleugels uit en vloog om het huis. Het blauw van zijn veren glansde in de zon. Al gauw keerde hij weer terug naar de vriendinnen, om ze te bedanken.
– Hoe zit het met mijn eitje? vroeg hij angstig.
– Maak je je geen zorgen, antwoordde Saskia, twee muizen broeden het uit.
– Twee muizen? vroeg de vogel, verbaasd.
J- a, twee muisjes; kom maar met ons mee, dan kun je ze zien.

De meisjes liepen op het pad en de vogel vloog vlak boven hun hoofd mee. Al gauw kwamen ze bij het houten, groene hek. Daarachter maakte Kaki de moeilijke sommen, die Juffrouw Tucht Saskia als straf had opgegeven.
– Hoi vriendinnen! Wat een verrassing!
Toen de kakkerlak de tovervogel opmerkte, was ook hij totaal betoverd.
– Mijn hemel! zei hij, wat zie jij er fantastisch uit.
– Jij ziet er ook leuk en geweldig uit! antwoordde de vogel. Ik heb nog nooit zo’n grote kakkerlak gezien.
Kaki boog bescheiden zijn hoofd en zei:
– Kom binnen, dan kun je je eitje zien. Het wordt veilig uitgebroed.

De vogel vloog het oude huis binnen, gevolgd door de twee meisjes. Ze kwamen hier voor de eerste keer. Het was een rommel in het huis. In een hoek van de kamer zagen ze een oude lade. De muizen had er een gezellig nest van gemaakt, met Albert’s muts en een heleboel bladeren. Saskia en April liepen naar het nest toe, de vogel bleef op Saskia’s schouders zitten. De muisjes lagen heel diep te slapen, dicht tegen elkaar aan. Leontien had haar muts schuin op haar hoofd.

– Wat lief! fluisterde April, ik wist dat Pecorino een gevoelige natuur was. Ze lijken wel verliefd.
– Ja, laat ze maar slapen, zei de vogel. Mijn eitje is veilig hier.
– Als je wilt, kun je hier blijven tot je baby wordt geboren, zei Saskia.
– Ja, dat is een goed idee. Bedankt vrienden!

{/slide}

{slide=9. Wat een dag!}

vacheToen de boer het erf op kwam, merkte hij meteen dat er iets niet klopte. De hond bleef maar blaffen, en de deur van het huis stond op een kier.
Al blaffend dacht Bluffo: « wat een raar werk doe ik toch. Eigenlijk ben ik het zat…  »
De boer liep het huis in en schreeuwde zo hard, dat de hond met zijn poten z’n oren dicht deed.

« Waar zit die vogel? » riep de boer uit.
Hij was zo boos dat hij een stoel stuk sloeg. En daarna nog een en nog een. Maar dat vond hij nog niet genoeg, dus pakte hij een stapel borden die hij op de grond smeet. Hij keek en keek nog eens goed: en zag toen een veer op de vloer, een blauwe veer. Hij raapte hem op en ging een beetje lomp op de enige stoel zitten die de ramp had overleefd. Zijn woede viel plotseling van hem af. Hij zuchtte diep en keek nog een keer naar de veer.

Nu pas zag hij hoe mooi die veer straalde. Maar toch voelde hij zich treurig en moe. Al die rommel om hem heen… Hij besloot op te staan, en de brokstukken van de stoelen en de borden op te ruimen. Toen hij klaar was, stopte hij de veer in het zakje van zijn overhemd, tegen zijn hart. Daarna ging hij weer aan het werk. Hij voelde zich beter, en rustiger.
Hij werkte de hele dag, zonder te praten, alleen met zijn gedachten. Gewoonlijk dacht hij aan de beste manier om nog meer geld te verdienen. Maar deze keer voelde hij zich anders. Alsof hij nieuwe hersenen had… of misschien een nieuw hart?

De veer deed stilletjes z’n werk, daar in het zakje van zijn overhemd, precies tegen zijn hart.

Toen hij zijn tractor bestuurde, keek hij om zich heen, naar de hemel, naar de vlinders die in de lentelucht dansten. Boven zijn hoofd zag hij zwaluwen gracieus vliegen, luid tjilpend. Hij genoot er zo van, dat hij nauwelijks meer op de tractor lette. Hij zigzagde door het veld.
Opeens verscheen de tovervogel. Hij vloog in de zon, zwevend rondom de man. De boer was helemaal verbluft. Hij remde meteen en zette de motor af. Hij zag de blauwe veren glanzen, alsof ze een gouden nevel achterlieten. De vogel landde op de tractor, keek de boer aan, en glimlachte.
Een glimlachende vogel? Is dat mogelijk?
Toen hij wegvloog, streelde zijn vleugel licht het hoofd van de boer. Hij verdween in de zon.
De boer bleef roerloos staan. Een lichte glimlach speelde om zijn mond. Hoe lang het duurde? Geen mens die het kon zeggen…

Uiteindelijk besloot de boer om iets te ondernemen. Hij startte de tractor weer en reed naar huis terug. De hond blafte om hem te onthalen. De boer streelde hem en zei:
« Bluffo, ik denk dat je zonder ketting kan leven. »
Hij maakte de ketting los. De hond keek stomverbaasd naar zijn baas. Toen hij vrij was, begon hij over het erf te rennen. Hij voelde zich zo blij zonder boeien.
« Oké, dacht de boer, dat is nog maar het begin. Nu doorgaan! »

Hij liep naar de loods waar de kippen woonden. Het was een vreselijk gebouw, met kleine, kleine raampjes. Binnen zaten de arme kippen dicht op elkaar in hokjes geklemd. Honderd, tweehonderd, misschien nog meer. De boer zette de deur wijd open naar de weide met de koeien. Daarna opende hij de deurtjes van alle hokjes.

« Ga maar naar buiten! riep hij tegen de kippen, jullie zijn vrij! »
De kippen konden hun oren niet geloven. Vrij? Echt waar?
Een kippetje, dat Piet heette, zei tegen zijn moeder:
– Mam! Wat een geluk! We mogen naar buiten! We zijn vrij!
– Nee, nee, mijn zoon, volgens mij is het een valstrik.

Maar Pietje was moedig en sprong als eerste kip uit het hok. Hij liep dapper tussen de honderd hokken door naar buiten, de vrijheid tegemoet. Zo klein als hij was, tippelde hij de boer voorbij. Toen hij eindelijk helemaal buiten stond, kon hij de warme zon op zijn gezichtje voelen. Hij opende zijn vleugeltjes, en huppelde door  het lekkere, groene gras naar de koeien die stilletjes stonden te grazen. Plotseling besloten de andere kippen hetzelfde te doen. Er ontstond een gezellige puinhoop: iedereen wilde zo snel mogelijk naar buiten. De boer stond het spektakel te bekijken. Hij schudde van het lachen:
« De kippen moeten vast nog een beetje wennen, maar ze voelen zich vast en zeker gelukkig in de wei. En misschien smaken hun eieren dan wel lekkerder! »

Nu kon hij de tweehonderd kippen in de wei zien scharrelen. Opeens kwam Bluffo opdraven. Hij rende als een wildeman door het gras en begon de kippen te bewaken, net als een herdershond. De boer streelde de blauwe toverveer bij zijn hart:
« Het is goed zo. Wat een geweldige dag! »
Hij ging terug naar zijn huis en besloot een omelet te bakken.

{/slide}

{slide=10. Appelsap en gekke kippen}

Albert was klaar met zijn werk. Hij zat stil op zijn bank met een biertje voor zich. Tegenover hem stond zijn bakfiets, die weer leeg was. Hij miste de tovervogel en het ei. Aan de andere kant van zijn huis kon hij de boerderij en de weiden zien. De hond rende in het gras.
« Tja, dacht Albert, Bluffo is vrij, wat een verrassing. »
Hij keek verder en ontdekte honderden kippen, die in het gras scharrelden.
« Wat is er toch met de boer aan de hand? » riep hij uit, terwijl hij op stond. « Ongelofelijk! Dat moet ik Saskia vertellen. »

Maar hij hoefde geen voet te verzetten want de meisjes kwamen net aanlopen bij het hekje van de tuin.
– Hoi, Albert! zei Saskia, we komen je goed nieuws brengen.
– Hoi, meisjes! Willen jullie een lekker glas appelsap?
– Ja, graag, antwoordde Saskia, en ze zei tegen April:
– Weet je, April, Albert heeft altijd lekker appelsap, van mevrouw Appeltje.
– Vertel maar, Saskia, vroeg Albert, ik ben benieuwd, wat is er met de vogel en het ei gebeurd?

Het meisje vertelde het hele verhaal. Op het eind was Albert gerustgesteld. Een lichte glimlach speelde om zijn mond, en hij zei, slim:
– Ik heb jullie ook iets te vertellen.
Hij draaide zijn hoofd in de richting van de boerderij:
– Kijk maar eens naar wat er in de wei gebeurt.
Alle drie keken ze naar de gekke kippen in het gras, en naar de hond die niets anders deed dan springen en rennen.
– Weet je, zei Albert, ik heb het gevoel dat boer Bertels veranderd is. Ongelofelijk, hè? Morgen, als hij de melk komt brengen, kom ik er meer van te weten.

Hij nam een slok bier en zei:
– Dus, het ei is veilig bij de muizen en de kakkerlak.
Plotseling stond hij op.
– Meisjes, mag ik die reusachtige kakkerlak ook eens zien?
Hij legde zijn hand op zijn hart:
– Ik weet dat het een geheim is, ik beloof niets te zullen zeggen. Belofte van Albert!
De meisjes schoten in een lach en besloten om Kaki aan Albert te laten zien.
– Weet je, Albert, zei April, de muizen zijn dol op het ei. Ze willen niets liever dan erop zitten. Met de vogel hebben ze afgesproken het samen uit te broeden, ieder om de beurt.
– Wanneer komt het ei uit? vroeg Albert.
– Binnen een maand, heeft de vogel gezegd.
– Ik verheug me er zo op, zei Albert.
– Wij ook! antwoordden de meisjes in koor.
– Nu moeten wij weg, zei Saskia, we moeten nog een heleboel huiswerk voor juffrouw Tucht maken.
– Oké, meisjes, tot ziens!
– Tot ziens!
Toen Saskia en April weg waren, nam Albert  zijn laatste slokje bier. Hij keek naar zijn bakfiets.
« Die ga ik maar eens goed poetsen », zei hij, terwijl hij opstond.

{/slide}

{slide=11. Een geschiedenisles}

Vandaag besloot juffrouw Tucht een beetje geschiedenis te onderwijzen. Ze hing een landkaart van Nederland op het bord.
– Wie kan mij de Afsluitdijk aanwijzen? vroeg ze.
– Ikke! antwoordde April, haar hand heer en heen bewegend.
De belletjes van haar muts maakten een kristallijnen geluid.
– Ik heb je al gezegd dat je je muts moet afzetten, zei de juffrouw, een beetje kwaad.
April zette hem af en ging naar het bord om de dijk aan te wijzen.
– Vroeger woonde ik dichtbij de Afsluitdijk, in Friesland, zei April.
– Ik vraag je niet waar je vroeger woonde. Waarom is de Afsluitdijk gebouwd?
– Er was vroeger een zee die altijd overstroomde.
– Wat is de naam van die zee?
– Dat weet ik niet meer.
– Ga maar weer naar je stoel. Weet iemand dat?
– Ja, het was de Muiterzee! zei Saskia.
– Muiterzee! Wat is dat? riep juffrouw Tucht uit.
– Ja, want die zee overstroomde altijd, dus…
– Het is niet de Muiterzee, maar de Zuiderzee. Veel schepen kwamen via de Zuiderzee ons land binnen, om handel te drijven.
– Ja, maar hij overstroomde altijd en veel, veel mensen verdronken, zei Saskia.
– Houd je mond, Saskia! Ik geef de les!
Saskia fluisterde tegen April:
– Weet je, de ouders van mijn oma raakten hun huis kwijt door deze gekke zee, en…
– Saskia! hou je mond!

Saskia boog haar hoofd; haar oma had haar zo vaak verteld wat er was gebeurd. Het was echt een ramp in de geschiedenis van haar familie.
– Duizenden mensen gingen dood door de overstromingen, dus besloten ze een grote afsluitdijk te bouwen, zei de juffrouw. De Afsluitdijk is gemaakt door 1000 arbeiders, die werkten er bijna 12 jaar aan.
– Mijn oma zegt altijd dat die arme mannen een heel zwaar leven hadden en…
– Saskia! dit is de laatste keer, anders…
– Maar het is echt waar! Altijd zegt mijn oma…
– Hou je mond! Je krijgt extra sommen op voor morgen!
De juffrouw was heel boos. En als ze boos was, gaf ze altijd sommen als straf. Saskia werd stil en dacht: « nog wat werk voor mijn vriendje Kaki. »

De les ging door. De kinderen leerden hoeveel kilometer de Afsluitdijk lang was, en hoeveel meter hoog en wanneer hij af was en… een heleboel cijfers.
Op het pad terug liepen de meisjes te babbelen. Saskia was boos en verdrietig tegelijkertijd.
– Weet je, April, het is volgens mij heel onrechtwaardig. Die arme mannen hadden echt een vreselijk leven, en niemand praat over ze.
– Ik wist het ook niet, antwoordde April, ik denk dat mijn vader het ook niet weet.
– Vast niet, niemand denkt aan die arme mannen.
Saskia was een gevoelig meisje, en ze had nu traantjes in haar ogen. April gaf haar een zoentje op haar wang en zei:
– Wees niet treurig, vriendinnetje, denk maar liever aan de tovervogel, of aan de boer, die zo enorm is veranderd.
– Je hebt gelijk, maar ik wil wel Lex naar de geschiedenis van de afsluitdijk vragen.
– Lex?
– Ja, mijn kat Lex. Die weet een heleboel dingen. En hij geeft altijd goede raad.
De meisjes waren bij het huis van April gekomen.
– Tot morgen, Saskia!
– Tot morgen, April!

Saskia liep in haar eentje verder het pad af, en kwam al gauw bij haar blauwe huisje. Oma Liesbeth stond warme chocolade te maken. Saskia ging lekker buiten zitten met haar kopje chocolade. Meteen kwam de kat eraan, spinnend en miauwend.
– Hoi Lex! Ik heb je net nodig.
– Wat is er aan de hand? vroeg de kat.
– Vanmiddag hebben wij over de Afsluitdijk geleerd, maar de juffrouw wilde niet over de arbeiders praten. Weet jij iets over het leven van die mannen?
– Ja zeker! antwoordde de kat.
Hij sloot zijn ogen half en dacht na.
– Een momentje, Saskia, zei hij, ik herinner het mij niet zo goed, ik ga even in mijn dossier kijken.
Hij verdween in de achtertuin. Saskia glimlachte: vroeger wilde ze altijd dit geheime dossier vinden. Maar de kat had tegen haar gezegd dat het persoonlijk was. En ook al had ze het dossier kunnen vinden, dan kon ze het onmogelijk lezen: hij schreef als een kat.

Snel kwam hij terug. Hij sprong op Saskia’s schoot en zei:
– Ja, die arme mannen hadden een heel zwaar leven. Ze werkten de hele week, zonder rust. Ze woonden in houten boten, heel oude boten, en ze hadden geen meubels.
– Geen meubels?
– Niets! Alleen een kist om op te zitten. Ze konden er wat eten in stoppen.
– Arme mannen, treurde Saskia. Ik begrijp niet waarom bijna niemand meer aan hen denkt. Ze hebben toch die dijk gebouwd! Dankzij hen overstroomt de zee niet meer.
Lex schudde zijn hoofd:
– Het is altijd hetzelfde liedje, Saskia. Men ziet nooit de kleine mensen, die het werk doen. Wie ziet de man die de straten schoonmaakt? Niemand! En het is toch belangrijk een mooie omgeving om te hebben!
– Ja, je hebt gelijk. Iedereen in het dorp vindt Albert sullig, maar iedereen wil wel graag elke ochtend de melk krijgen.
Saskia roerde in haar chocolade, stil en bedachtzaam.
– Lex! riep ze uit, ik weet wat!
– Wat weet je? antwoordde de kat, spinnend.
– We kunnen een feest organiseren. Op 28 mei 1932 was de Afsluitdijk klaar. Volgende week is het 28 mei. Dat is dus een verjaardag en een goede reden voor een feest. We maken er een geweldige verrassing van. April en ik kunnen het organiseren.
– Wat voor feest? vroeg Lex.
– Ik weet het nog niet, ik moet iets bedenken. Morgen praat ik er met April over.
– Prima idee, en veel plezier! zei de kat, gapend. Ik moet mijn benen bewegen, ik ga een beetje jagen. Tot straks!
– Tot straks, Lex!

{/slide}

{slide=12. Dubbele geboorte}

tambourHet was een mooie ochtend. De zon scheen en de zwaluwen cirkelden boven de rivier. April zat haar huiswerk te maken. Lekker op de bank tegen het oude huis. Naast haar vervaardigde haar vader een spelletje.
– April, April!
April keek op en zag Saskia aankomen met haar fiets. Ze leek opgewonden.
– Hoi, Saskia! Wat is er aan de hand?
Saskia ging op de hoek van de bank zitten.
– We moeten een feest organiseren.
– Een feest? vroeg April’s vader. Dat klinkt goed, maar wat voor feest?
– Een feest voor de arme arbeiders, die de Afsluitdijk hebben gebouwd.
En Saskia vertelde de geschiedenis van de arbeiders.
– Ze hadden geen echte huizen, alleen bootjes zonder comfort, en niet veel te eten, nooit koekjes of chocola, en ze moesten werken, zelfs als het heel koud was, en…
– Saskia, zei de vader, ze hebben de dijk gebouwd, dat is voldoende reden voor een feest.
– Ja, u heeft gelijk. Op 28 mei is het de verjaardag van de Afsluitdijk. We hebben dus een week om het te organiseren.
– Heb je een idee? vroeg April.
– Ja, maar we hebben de hulp van Albert en mevrouw Appeltje nodig.
– Wat is je plan? vroeg April’s vader.
– Op de ochtend van de 28e  mei krijgt iedereen bij de melk een briefje. Daarop staat een uitnodiging.
– Een uitnodiging voor een feest ’s middags, zei April.
– Precies. In de wei naast de kerk zette wij tafels met taarten, koekjes van mevrouw Appeltje, en ook wat vla en warme chocolade.
– Ik kan met mijn draaiorgel komen! zei de vader.
– Prima! Dan kan iedereen dansen! riep Saskia uit.
– Wat een geluk dat de 28e mei op zondag valt, zei April. Dan kan iedereen komen.
– Ja, en ik wil graag dat alles gratis is. Daarom hebben wij de hulp van mevrouw Appeltje nodig.
– En ook van boer Bertels, zei April.
– Ja, dat zal niet zo eenvoudig zijn.
– Laten we naar Albert gaan om hem het plan te vertellen! riep April uit.
– Heb je je huiswerk af? vroeg haar vader.
– Ik ben bijna klaar, pa, alsjeblieft, pa! We blijven niet te lang.
– Oké dan, meisje, ik denk dat een feest een goed idee is.
– Laten wij eerst naar mevrouw Appeltje gaan, voor Albert is het te vroeg is, zei Saskia. Die is nog niet klaar met zijn werk.
– Je hebt gelijk, eerst mevrouw Appeltje en daarna Albert, antwoordde April.
– Blijf niet te lang weg, zei de vader.
Maar de meisjes zaten al op hun fiets en trapten zo hard als ze konden.

Het rook altijd zo lekker bij mevrouw Appeltje. Toen de meisjes de keuken binnenkwamen, was de oude, aardige vrouw chocoladecake aan het bakken. Toen de twee vriendinnen gezellig aan tafel zaten, ontvouwde Saskia haar plan. Mevrouw Appeltje reageerde enthousiast.
– Ja, meisjes, zei ze, het is een leuk idee en een goede gelegenheid voor mij om de nieuwe taarten, die ik bedacht heb, te laten proeven.
– Wij moeten ook boer Bertels ervan overtuigen om gratis eieren, melk en room te geven, zodat u lekker vla kunt maken. Maar dat zal niet meevallen…
– Maak je geen zorgen, antwoordde mevrouw Appeltje. Boer Bertels is erg veranderd. Het lijkt me geen probleem. Ik ga het hem vragen.
– Fantastisch! riepen Saskia en April samen uit.

Terwijl ze lekker doorbabbelden, gebeurde er iets achter het groene hek…

Het toverei groeide… en de buik van Leontien werd ronder en ronder. Waarom? Leontien was zwanger. Ze verwachtte muisjes. Toen Leontien haar oor tegen het ei drukte, hoorde ze piepkleine geluidjes. De babyvogel groeide, en binnenkort zou hij zijn eierschaal breken, om de reusachtige wereld te ontdekken. Toen Pecorino zijn oor tegen de buik van Leontien drukte, hoorde hij ook daar geluidjes. Hij stond weer op, helemaal geraakt, en vroeg aan Leontien:
– Hoeveel zitten erin? Vast meer dan een!
– Tuurlijk! Minstens vier of vijf, antwoordde de muis, glimlachend met alle haar snorharen.

Ze zouden wel een groter huis moeten vinden. Want de kleine theepot – goed voor een vrijgezel – was nu te klein. Kaki vond de oplossing. Toen hij ging joggen, ontdekte hij een oude trommel. Die lag verscholen in het hoge gras, achterin de tuin. De aardige kakkerlak maakte hem stiekem schoon, en rolde hem tot vlakbij het oude huis, onder de grootste boom van de tuin. Toen hij klaar was, riep hij uit:
– Kom naar buiten, vriendjes! Ik heb iets voor jullie!
Langzaam kwamen de twee muisjes naar buiten, Leontien met haar grote, ronde buik, hand in hand met Pecorino.
– Wat mooi! riep ze uit, echt een paleis voor ons!
Terwijl ze haar zware buik vergat, sprong ze plotseling in de trommel. Pecorino onderzocht intussen de buitenkant. Hij wilde zeker zijn dat alles veilig was. Helemaal tevreden voegde hij zich binnen de trommel bij Leontien. Kaki glimlachte, heel vrolijk. Het was zo’n mooi schouwspel om naar de twee muisjes te kijken. Ze waren echt lief. Meteen begonnen de diertjes wat stro te zoeken, om hun nieuwe huisje in te richten.

Het gebeurde precies op het goede moment. Want de dag erna, toen Leontien samen met de tovervogel op het ei zat te broeden, voelde ze zich een beetje vreemd:
– Lieverd, zei ze zacht tegen Pecorino, die een deurmat aan het fabriceren was, ik denk dat vandaag de dag is.
– Kom hier! zei Pecorino, een tikkeltje nerveus. Ons nieuwe huis is klaar, er is stro genoeg. Kom naar binnen, snoepie.
Op hetzelfde moment hoorde de blauwe tovervogel meer en meer geluiden in het ei.
– Vriendjes! Vandaag is het zo ver! Mijn baby komt er ook aan!
– Wat leuk! antwoordde Leontien, terwijl ze in haar handen klapte. Tot ziens, tot na de geboorte! En sterkte!
– Dankjewel, schat! En jij, ook veel sterkte!
De vogel boog zich over het ei om niets te missen van de geboorte.

{/slide}

{slide=13. Het feest}

saskiaDe zon was van plan om de bewoners van het dorp op 28 mei een fantastische dag te geven. Met zijn stralen liet hij de melkflessen blinken. Iedereen kon het briefje met de uitnodiging ontdekken.
Oma stond chocola te maken:
– Kom, Saskia, het ontbijt is klaar. Wat een leuk idee om dit feest te organiseren!
April’s vader maakte zijn draaiorgel schoon. April voelde zich zo opgewonden dat ze niet stil kon blijven zitten.
Kapper Hans was heel benieuwd.
– Een feest! Wat gezellig!
Bakker Jan rende naar de slaapkamer van zijn kinderen:
– Jongens! Er is feest vanmiddag! Sta op!
Naaister Ineke riep uit:
– Een feest! ik moet opschieten! Welke jurk? Wat voor schoenen?
Juffrouw Tucht had vreselijke hoofdpijn.
– Een feest, mompelde zij, waarom dat nou weer?
Albert stond zich te scheren, heel geconcentreerd. Hij wilde er piekfijn uit zien.
Mevrouw Appeltje spoot slagroom op een reusachtig chocoladetaart.

Achter het groene hek heerste een vredige rust. In de trommel lagen Pecorino, Leontien en zeven snoezige muisjes te dommelen. Vanuit  het nest klonk het gesnurk van een wonderlijk  tovervogeltje. Het had geen blauwe veren, maar een vachtje van zacht glinsterend dons.
Kaki droomde in het hoge gras.

Alleen in zijn grote huis stond Boer Bertels voor zijn kledingkast te denken; hij wilde er op zijn paasbest uitzien. Zijn keuze viel op een blauw overhemd met ruitjes. Daarna wilde hij de toverveer pakken, maar waar was die? Hij keek op zijn bed, onder zijn bed, in de badkamer… Hij rende naar beneden, naar de keuken, naar de woonkamer: geen toverveer meer.
« Mijn toverveer. Weg! » jammerde hij.
Hij ging zitten. Hij zag eruit als een gebroken man, zijn handen op zijn hart gevouwen. Bluffo kwam stilletjes aangeslopen en legde zijn snuit in de schoot van zijn baas. Boer Bertels keek hem aan.
« Wat wil je dan, mijn hondje? Wil je soms naar buiten? Naar de wei met de koeien? Oké, dan ga ik met je mee. »

De boer en zijn hond gingen naar buiten. Het was een zonnige, rustige ochtend. Terwijl Bluffo in de wei dartelde, liep boer Bertels langzaam, met zijn handen in zijn zakken. Plotseling hoorde hij een zacht getjilp. Hij hurkte in het gras en zag Pietje, het kuiken, huppelend zijn richting uitkomen. Hij deed zijn hand open en Pietje sprong erop. Het kuikentje keek, zacht tjilpend, de boer aan. Deze voelde hoe het dons zijn hand streelde. Een warm, zacht en veilig gevoel stroomde ook door zijn hart.
« Oké, dacht hij, misschien heb ik de toverveer niet meer nodig. Misschien ben ik echt veranderd, misschien kan ik voortaan rustig en vrolijk leven. »

Hij stond op en keek naar Pietje. Het kuikentje schudde zijn hoofdje en keek overal om zich heen. Het was de eerste keer dat hij de horizon kon zien. De wind bracht zijn dons in de war. De boer bewonderde dit kleine beestje, de kleine pootjes, de kleine oranje snavel. Ook hij keek naar de horizon, naar de drukke zwaluwen, naar de koeien die rustig graasden. Hij legde Pietje weer terug in het gras en zag hoe hij voort huppelde.
Het is tijd om naar het feest te gaan, dacht hij, glimlachend.

*** Het eind ***

{/slide}


Laisser un commentaire

Votre adresse de messagerie ne sera pas publiée. Les champs obligatoires sont indiqués avec *